
Interview: Walter Lewin
‘MIT betaalt niets aan mijn'
« vorig artikel | inhoud | volgend artikel »
Rubriek: Interview
» artikel als pdf
Emeritus hoogleraar Walter Lewin (MIT) gaf op 26 oktober een van zijn legendarische colleges over regenbogen en blauwe luchten voor een afgeladen collegezaal op de TU. 45 jaar geleden studeerde hij hier zelf. Hoe kijkt hij aan tegen het kwaliteitsverschil tussen TU en MIT?
Jos Wassink
U bent vanochtend begonnen met een inspectie van de zaal voor uw college. Hoe stond het ervoor?
“Toen ik binnenkwam dacht ik: Dit gaat helemaal mis. Voor de regenboogdemonstratie heb ik een zon nodig. Daar gebruik ik een koolspitslamp voor om de enorme lichtsterkte te bereiken, maar de koolspits werkte niet goed en ze konden ‘m niet bijstellen. De diaprojector werkte ook niet – daar hebben ze vier maanden over kunnen doen om het voor elkaar te krijgen. De tweede deed het ook niet en de derde projector was uiteindelijk in orde. Dan heb ik nog een experiment met rook waarover ik heb gezegd dat de achtergrond absoluut niet glimmend mocht zijn. Wat was de achtergrond vandaag? Glimmend. Dat moet dus nog veranderd worden. Het eerste half uur dacht ik daarom: mijn god, dit wordt niks. Na een uur kreeg ik iets van vertrouwen terug. En na twee uur heb ik het idee dat er een redelijke kans is dat de twee experimenten zullen slagen.”
Waarom hecht u zo veel belang aan demonstraties tijdens colleges?
“Ik hecht daar niet aan. Als je natuurkunde doceert, leid je formules af, stap voor stap. Maar dat blijven dode dingen op het bord. Dan is het belangrijk om te kunnen zeggen: we hebben dit afgeleid, nu gaan we eens kijken wat de consequenties van de formule zijn. Ik licht er voorbeelden uit – daar ben ik heel goed in – waardoor studenten door die formule heen gaan kijken. Ik zal een voorbeeld geven. Als ik de formule afleid voor de slingertijd van een slinger met een bepaalde lengte en gewicht dan komt, en dat valt eerst niemand op, in die formule het gewicht helemaal niet voor. Dan vraag ik: is dat niet raar? Dan zeggen mijn studenten meestal dat ze het logisch zouden vinden dat de tijd van een slingering afhangt van wat er aanhangt. Ik heb dan een vijf meter lang touw waar ik vijftien kilogram aan hang. Dan meet ik heel nauwkeurig de periode van een volledige slingering van links naar rechts en weer terug. Ik meet dan de tijd van tien opeenvolgende oscillaties om de nauwkeurigheid te verhogen tot een honderdste seconde. Wat doe ik dan?”
Dan gaat u erop zitten.
“Dan hang ik eraan en meet weer tien slingeringen. Dat vergeten ze hun leven niet meer. Die formule heeft dan een betekenis voor ze gekregen en ze weten dat de massa er niet in voorkomt. U zegt dat ik hecht aan demonstraties, maar zo zit het niet. Die demonstraties zijn nodig om studenten te laten zien wat de betekenis van formules is.”
Maar u bent daar wel extreem in.
“Daarom kijken twee miljoen mensen per jaar naar mijn colleges. Of u dat nu extreem wilt noemen. Ik denk dat ik op de lange duur een effect zal hebben op de manier waarop veel natuurkundedocenten te werk zullen gaan. Dat merk ik nu aan de twintig tot dertig e-mails per dag aan fanmail. Ik bedoel natuurkundedocenten die me schrijven: jij hebt ons laten zien dat we natuurkunde nooit op de goede manier hebben gedoceerd. Dus ik krijg invloed op de manier waarop natuurkunde gedoceerd wordt in de klassen.”
Nu pas, na vijftig jaar onderwijservaring?
“Die colleges op het web zijn er pas sinds 2003, zeven jaar. Daar keken eerst 300 duizend mensen per jaar naar, dat zijn er nu twee miljoen. Dus dat breidt zich uit en het wordt alleen maar meer.”
Het nadeel is dat een goede demonstratie veel voorbereiding kost. Zijn docenten daartoe bereid?
“Nou, de meesten niet. Ze vragen me vaak in interviews: wat is het geheim van jouw succes? Er is niet één ding, geen magische pil. Het begint met de opbouw van je college: waar je mee begint, hoe je begint, welke voorbeelden je kiest en waar je langzaam in het college naartoe wilt. Dat betekent een voorbereidingstijd die weken kan duren. Ik denk er op het strand over na. Ik noem het de architectuur van mijn colleges. Daaromheen moet je demonstraties bedenken die dat ondersteunen. Daarna werk je een soort script uit dat je in een lege collegezaal uitprobeert. Dat duurt, zeg 65 minuten en je hebt maar 55. Je moet er dus in gaan snijden. Dat kost me vaak toch een week. Daarna doe ik het hele college nog een keer en zit dan al veel dichter bij 55 minuten. Om vijf uur ’s ochtends van de dag dat ik het college geef, ga ik weer naar die empty classroom en doe ik mijn derde dry run. Dan heb ik de timing perfect en geef ik het college een paar uur later als een soort performance.”
Veel professoren vinden het moeilijk om naast onderzoek en management de tijd te vinden voor onderwijs.
“Ik heb meestal twee postdocs en twee of drie promovendi. Met hen kom ik iedere week bijeen. Als ik dan in het najaar die colleges geef, weten ze dat Walter tachtig uur per week werkt en dat ze weinig van hem te zien krijgen. De groep is dan zo geolied, die loopt wel. Maar in het voorjaar kan ik dat niet weer doen, want dan moet ik onderzoeksvoorstellen schrijven. Dat is harde business in Amerika. Ik kan wel een proposal naar Nasa sturen, maar als iemand anders een beter voorstel schrijft, krijgt die het geld en ik niet. De universiteit betaalt mij núl voor mijn research. Nul! Met andere woorden: ieder telefoongesprek moet komen uit funding van buiten. Ik heb per jaar ruwweg een half miljoen dollar nodig. Daar betaal ik mijn postdocs van, de overhead van MIT, mijn promovendi, mijn reizen en conferenties – ik moet zorgen dat het geld binnenkomt. Wij hoogleraren, en dat is het kardinale verschil met het Nederlandse systeem, wij houden de universiteit overeind. Zonder onze overhead kan de universiteit niet bestaan. Zij hebben er dus alle belang bij dat wij die proposals goed schrijven. Vandaar dat we een enorme vrijheid hebben. Zij beseffen dat als wij ieder jaar een half miljoen binnen slepen – en sommigen van mijn collega’s slepen per jaar tien miljoen binnen – dat MIT daar 65 procent van krijgt. Dat zijn enorme inkomsten. In ruil daarvoor bieden ze ons een ongelofelijke vrijheid.”
Is dat het Amerikaanse systeem?
“Zo gaat het op topuniversiteiten. Er zijn zo’n tienduizend colleges die opleiden tot de bachelorsgraad. Die variëren van spruitjeslucht tot fantastisch. Die spruitjesluchtuniversiteiten doen geen enkel onderzoek. Die krijgen geen enkele inkomsten van hun hoogleraren. Omgekeerd krijgt zo’n hoogleraar misschien tienduizend dollar per jaar waar hij natuurlijk niks mee kan doen. Met andere woorden: jullie hebben in Nederland een vrij constant niveau van universiteiten; er is weinig verschil tussen Groningen, Utrecht of Amsterdam. In Amerika is het verschil zo enorm dat als je een universiteit neemt in de achterlanden en die vergelijkt met MIT, Caltech, Columbia of Princeton, je appels met kokosnoten vergelijkt.”
En aan de topuniversiteiten hebben de hoogleraren alle vrijheid om hun eigen onderzoek in te richten?
“Ja, omdat de mensen die je aantrekt absoluut tot de top van de wereld moeten behoren. Je krijgt op een gegeven moment een professoraat aangeboden voor een periode van vijf jaar. Daarna wordt beoordeeld of je mag blijven. Dat noemen we tenure en dat is voor het leven. Dan worden de vijftien topmensen in de wereld op jouw vakgebied aangeschreven. Als er van die vijftien twee zeggen: Walter heeft wel leuk werk gedaan, maar ja, Piet ook. Dan krijgt Walter geen tenure. Dan moet je eruit. Je mag niet blijven.”
U vertelt over de enorme vrijheid, maar legt het ook niet een enorme druk op u?
“Ja, wat dacht je. Want als ik niet genoeg proposals win ieder jaar, moet ik postdocs ontslaan, promovendi ontslaan. Want die ik moet onderhouden. Natuurlijk heb ik daar slapeloze nachten van. Absoluut. You bet your life. Het is een enorme druk die op ons ligt.”
De TU spiegelt zich graag aan MIT. Als het college van bestuur u advies zou vragen over hoe de TU meer in de buurt zou kunnen komen van MIT, wat zou u zeggen?
“Dat kan niet. Het wordt bepaald door jullie politiek. Jullie laten niet toe dat er centres of excellence ontstaan. Dat is een vies woord in Nederland. Jullie hebben geen school waar je een Oxford, Cambridge of MIT van maakt. Want dat bereik je alleen als je ook de bezwaren op de koop toe neemt dat andere universiteiten tweede- of derderangs worden. Dat is een volstrekt andere aanpak. Vragen naar wat Delft kan doen om daar dichter in de buurt te komen is een onmogelijkheid.”
Nederland is meer van het gelijkheidsmodel?
“Als je te lang bent, word je afgesneden en als je te kort bent wordt er geld ingestoken zodat je weer gaat groeien. Ik heb daar de balen van. Dat hebben we niet op MIT. In Amerika ging voor mij de wereld open.” Bij de deur draait hij zich om. One more thing. Zijn grootvader kon lezen noch schrijven. Nederland heeft het mogelijk gemaakt om in twee generaties vanuit analfabetisme uit te groeien tot professor aan MIT. Dat ziet Lewin als een grote verdienste van het Nederlandse onderwijs. Maar hij is ook blij dat hij op het juiste moment is vertrokken.


